De romprotatiehoek (ATR) meet je op het oppervlak van de rug met een scoliometer. De cobbhoek meet je op een röntgenfoto van de wervelkolom. Ze beschrijven verschillende dingen, ze worden in verschillende situaties vastgelegd, en je kunt de een niet omrekenen naar de ander.
Beide getallen worden in graden gegeven, beide gaan over scoliose, en beide komen vaak in hetzelfde gesprek voorbij — precies daarom worden ze door elkaar gehaald. Een ouder die na een controle te horen krijgt dat het „8 graden” is, krijgt een ATR-waarde te horen, geen diagnose van een bocht van 8° in de wervelkolom. Het verschil begrijpen voorkomt zowel valse geruststelling als onnodige schrik.
| Romprotatiehoek (ATR) | Cobbhoek | |
|---|---|---|
| Wat het meet | De draaiing van de romp — hoeveel de ene kant van de rug hoger komt dan de andere | De zijwaartse kromming van de wervelkolom tussen de twee meest gekantelde wervels |
| Hoe het gemeten wordt | Met een scoliometer die tijdens de buigtest van Adams op de rug wordt gelegd | Met lijnen die op een staande röntgenfoto van de wervelkolom worden getekend |
| Wie het kan meten | Een verpleegkundige, fysiotherapeut, chiropractor, leerkracht of ouder | Een zorgverlener, op basis van beeldvorming |
| Straling | Geen | Ja — blootstelling aan röntgenstraling |
| Doel | Screening: bepalen wie verder onderzocht moet worden | Diagnose, indeling en behandelplanning |
| Gebruikelijk actiepunt | Vanaf 7° adviseert de Nederlandse JGZ-richtlijn verwijzing naar de (kinder)orthopeed | 10° of meer is de gebruikelijke definitie van scoliose |
| Vaak te herhalen | Ja — wekelijks of maandelijks als dat nuttig is | Nee — er zit tijd tussen opnames om de stralingsbelasting te beperken |
Scoliose is driedimensionaal. De wervelkolom buigt zijwaarts en de wervels draaien tegelijkertijd. Die draaiing duwt de ribben en de rugspieren aan één kant naar achteren, en dat is de asymmetrie die een scoliometer oppikt als iemand voorover buigt. Omdat de bocht en de draaiing uit dezelfde onderliggende afwijking voortkomen, gaan grotere bochten inderdaad vaker samen met meer draaiing aan de oppervlakte.
Maar dat verband is los. Hoeveel draaiing er bij een bepaalde bocht aan de oppervlakte zichtbaar wordt, hangt af van waar de bocht in de wervelkolom zit, van de vorm van de borstkas, van de lichaamssamenstelling, van de beweeglijkheid van de bocht, en van de houding tijdens de test. Twee mensen met dezelfde cobbhoek kunnen duidelijk verschillende ATR-waarden geven, en dezelfde persoon kan op één dag verschillende waarden geven als de diepte van de buiging of degene die meet verandert.
Behandel gepubliceerde omrekenregels daarom met terughoudendheid. Screeningsonderzoek gebruikt de ATR meestal om te bepalen wie een röntgenfoto nodig heeft, niet om een cobbhoek te schatten. Een precieze verhouding verschilt per persoon en per meettechniek.
Ja, en dat verrast mensen. Draaiing aan de oppervlakte kan verschuiven door houding, spierspanning, gewichtsverandering, ademhaling en meettechniek terwijl de onderliggende bocht niet verandert. Hij kan ook echt veranderen als het draaiende deel van de afwijking sneller toeneemt dan het zijwaartse deel. Het omgekeerde komt ook voor: een bocht kan op de foto groter worden terwijl de draaiing aan de oppervlakte er hetzelfde uitziet.
Dat is nog een reden om één losse ATR-waarde te zien als aanleiding voor controle en niet als eindoordeel, en om de techniek tussen metingen precies gelijk te houden zodat een verandering in het getal ook echt iets betekent. Bekijk hoe je een scoliometer gebruikt voor de techniek die metingen vergelijkbaar maakt.
| ATR-waarde | Wordt meestal gelezen als | Cobbhoek | Wordt meestal gelezen als |
|---|---|---|---|
| Onder 5° | Laag; gewone controle | Onder 10° | Wordt niet als scoliose aangemerkt |
| 5°–6° | Onder de 7°: bij onvoltooide groei controle na 6 maanden | 10°–24° | Licht; meestal alleen volgen |
| 7° of meer | Verwijzing naar de (kinder)orthopeed volgens de JGZ-richtlijn | 25°–44° | Matig; bij groeiende patiënten wordt vaak een brace overwogen |
| Toename van 2° of meer | Progressie; volgens de JGZ-richtlijn reden voor verwijzing | 45° of meer | Er wordt meestal over een chirurgisch oordeel gesproken |
De twee kolommen horen niet bij elkaar. Ze staan alleen naast elkaar om te laten zien waar elke schaal voor dient. Een ATR van 7° komt niet overeen met een cobbhoek van 25°. Wat er in elke band gebeurt, hangt af van leeftijd, skeletrijping, bochttype, plaats van de bocht, klachten en persoonlijke factoren, en wordt door een zorgverlener na onderzoek bepaald. Voor een uitgebreidere uitleg van de ATR-kant, zie wat een normale scoliometerwaarde is.
Als een meting een verhoogde ATR oplevert, is de volgende stap een beoordeling door een zorgverlener — geen omrekentabel en geen zelfdiagnose. In Nederland ga je daarvoor eerst naar de huisarts, die zo nodig verwijst naar de (kinder)orthopeed. Die onderzoekt de rug, vraagt naar de voorgeschiedenis, kijkt naar de groeifase en bepaalt of beeldvorming nodig is. Wordt er een foto gemaakt, dan is de cobbhoek van die foto het getal dat het beleid stuurt, terwijl de ATR nuttig blijft om er tussendoor zonder straling op te volgen.
Vraag een beoordeling aan als een ATR-waarde de verwijsgrens haalt, als de waarden over meerdere metingen oplopen, of als je ongelijke schouders, een uitstekend schouderblad, een ongelijke taille of een zichtbare ribbult bij vooroverbuigen ziet. Uitkomsten en het passende beleid verschillen per persoon, en alleen onderzoek door een zorgverlener kan vaststellen wat een waarde voor iemand betekent.
Beschikbaar voor iPhone en Android.

Gebruikt door zorgverleners en gezinnen in meer dan 75 landen.
Bron: van West HM, Herfkens J, Rutges JPHJ, e.a. The smartphone as a tool to screen for scoliosis, applicable by everyone. European Spine Journal 2022;31:990–995. Dit onderzoek, uitgevoerd in het Erasmus MC in Rotterdam, beoordeelde smartphonemeting van de ATR als methode en evalueerde geen specifieke app.